Museum Nairac Barneveld - Wat geweest is - Wat schafte de pot een eeuw geleden bij boer en bu...

Wat schafte de pot een eeuw geleden bij boer en burgemeester?

 29 okt 2003 t/m 23 jan 2004

Wat schafte de pot een eeuw geleden bij boer en burgemeester?

 

Wat de pot schaft hangt af van de bereikbaarheid (fysiek en financieel) van de grondstoffen en de mogelijkheden die grondstoffen toe te bereiden.

Een eeuw geleden was er, ook wat dat betreft, een veel grotere afstand tussen boer en burge­meester dan nu.

Verreweg het grootste deel van de bevolking op het platteland moest het doen met een stook­plaats, vaak een open vuur (zie ansichtkaart Isaac Israels), waar ook al het eten op gekookt moest worden. De pot schafte daar dus eenpansgerechten; ook pannenkoeken behoorden tot de mogelijkheden: in korte tijd kan men in één pan voor een aantal mensen een voedzaam gerecht maken.

De grondstoffen waren voornamelijk wat er in de onmiddellijke omgeving voorhanden was: de opbrengst van de eigen moestuin en de eigen slacht. In de moestuin verbouwde men stevige groenten, die lang bewaard konden worden, zoals knolgroenten en koolsoorten, aardappels en peulvruchten. Het vlees werd ingezouten, gedroogd of gerookt. Sommige groentesoorten leenden zich hier ook voor, of konden worden ingelegd in zuur of zout. De smaak van voedsel dat op die manier bewaard werd, veranderde ingrijpend door deze bewerking en werd na een tijd beduidend slechter.

Het basisvoedsel was aardappelen en ook brood, in het midden en oosten van Nederland voornamelijk roggebrood. Als de tijden slecht waren, at men soms drie keer per dag aardappe­len: 's middags werden ze vers gekookt en dan gezamenlijk uit een schaal gegeten (zie de Aardappeleters van Van Gogh, die er koffie, al dan niet surrogaat, bij drinken),

's avonds werden de overgebleven aardappelen opgewarmd en 's morgens kwam er soms nog een koude prak op tafel. In betere tijden kwam er brood op tafel, soms ook met spek en kaas, zoals bij de boerenmaaltijd, die in de boerenstijlkamer staat uitgestald.

Voor de kleine bovenlaag van de bevolking lag de zaak heel anders. Sommigen hadden al fornuizen, maar in elk geval een grote stookplaats in de keuken, waar meerdere gerechten tegelijk konden worden toebereid. Vlees vormde het hoofdbestanddeel van de warme maaltijd, die vaak twee vleesgangen had, met verschillende groenten als bijgerechten.

De explosieve groei van de natuurwetenschappen had ook invloed op het dagelijks leven: het steriliseren (wecken) van groenten en fruit gaf de mogelijkheid het hele jaar door zomergroen­ten te eten. Men vond de smaak nauwelijks verschillen van verse groenten.

Door de nieuwe uitvindingen in de scheikunde werd het veel makkelijker hartige en zoete gelei en pudding maken. Inheems fijn fruit kwam vaak uit de eigen kas en exotisch fruit als

sinaasappels waren veel minder zeldzaam voor de burgemeester dan voor de boer.

De maaltijd bij de burgemeester is net afgelopen. In het piece de milieu is nog volop fruit en het dessert blijkt ruimschoots voldoende te zijn geweest: er zijn nog noten en taartjes over en ook de gemberpot zal wel niet leeg zijn.

Waar tegenwoordig de problemen tengevolge van verkeerde voeding in Nederland onder alle lagen van de bevolking dezelfde zijn, n.l. overgewicht, was er honderd jaar geleden ook daar een groot verschil : bij de hogere standen was vaak overgewicht een probleem, evenals ziekten door te veel eiwitrijk voedsel, terwijl de rest van de bevolking vaak gebreksziekten had en soms ondervoed was. 

WAT SCHAFT DE POT

 

‘Boer wezen is gien kunst, mar boer blieven’, zei men op de Veluwe. De boeren in deze streek hadden het over het algemeen niet heel breed en zuinigheid was heel belangrijk. Op feestdagen of als men wist dat de dominee of pastoor op doorreis langs kwam, werd er een extra worst en een stuk spek uit de schoorsteen gehaald, als aanvulling op de middagpot.

 

Ontbijt

’s Morgens vroeg, na de eerste werkzaamheden o.a. “dorsen op de deel bij winterdag” of na het voeren en melken, bakte de boerin dikke pannenkoeken.

Melk was er aanwezig, meel werd na de oogst bij de molenaar gemalen. Als extra ging er nog een wind- of gebarsten ei en zout door het beslag, dat vaak in reuzel werd gebakken, een product van de slacht.

 

Brood bakken

Het brood werd als regel, zeker tot de Tweede Wereldoorlog zelf gebakken. Vaak stond naast de boerderij een van stenen opgetrokken bakhuusje. Soms van een behoorlijke omvang, zodat men er ’s zomers, na de grote schoonmaak, veelal in verbleef. Dit schoonmaken deed men als de koeien van stal in de wei liepen. Voor de boerin bespaarde het zomerverblijf veel huiswerk. De kinderen speelden tot het bedtijd was rondom de boerderij en kwamen niet in huis. Zeker niet op de “heerd”, welke na de grote schoonmaak, als de koeien in de wei liepen te grazen, niet gebruikt werd.

Voor het eigen gebakken boerenkleinrog gebruikte men roggemeel – door de molenaar gemalen – maar van eigen “bouw”. Bij de bakker op het dorp liet men de schooljongens gist halen. Deze gist werd door de Gist- en Spiritusfabriek uit Delft 2 maal per week aangeleverd. Wanneer men dan ook nog een pond witte tarwebloem kocht om door de rogge te mengen, dan werd het een traktatie Men gebruikte ongeveer 1 ons gist voor ongeveer 4 kilo meel. Had de boerin zelf koeien dan werd dit gekneed met karnemelk, melk, of ook wel “half om half” (aldus bakker Van de Bielerd). Met de hand werd een langwerpig brood gevormd. In de oorlog werd er ook wel met “zuurdeeg” gewerkt, dit was een restant deeg van 1 of 2 dagen oud.

De kinderen moesten na schooltijd de oven stoken. Hiervoor werd hout gesprokkeld in de omgeving. Je moest flink “door” stoken voordat de oven heet was. Dit nam wel 2 uren in beslag. De baktijd was gemiddeld 45 minuten. Soms bakte de boerin enkele minibroodjes voor de stoker mee.

Bij het “brood eten” dronk men veelal koffie of melk. Opoe of moeder smeerde vooraf het brood.

Tot na de Tweede Wereldoorlog werd er weinig serviesgoed gebruikt in de meeste boerengezinnen, met uitzondering van bruiloften, begrafenissen en boerenvisites.

 

Kaas en boter

Soms werd van eigen melkgift kaas gemaakt. Dit was een precies karwei en arbeidsintensief. De boerinnen, komende als import uit de Hollandse streken, waren daar de uitblinkers in en produceerden ook voor de verkoop. Bekend waren de families Geefshuizen op Norschoten en Van Dijk op de Nijkerkerweg. De boter werd zelf gekarnd en bij overproductie aan een kluit gekneed. Deze werd dan donderdags op de markt aan de opkopers verkocht of bij de plaatselijke bakker.

Wanneer men de zgn. “armelui’s” koeien bezat, dan werd er geitenboter gekarnd door de boerin. Dan kreeg men bij grootmoeder “een beschuut mit geitebotter”.

Een “snee” kleinrog met boter en suiker was ook al een tractatie. Als men een royale bui had, dan was het zelfs een beschuit, dik besmeert met boter en een plak koek er op. Een rol beschuit en de ontbijtkoek werden dan van de langskomende bakker gekocht. Deze kwam langs via “mullig” tijdens de zomer en “modderig” tijdens de winter, slecht begaanbare paden, met een transportfiets.

Een luxe was een bakkerswagen met knecht en paard, die de boerderijen bezocht.

 

‘Warm eten’

Men was op het platteland aangewezen op zelfvoorziening. De vrouwen verzorgden de moestuin. Het omspitten van de grond werd veelal door de mannen verricht. Het zaaizaad werd zo min mogelijk gekocht. Men ruilde ook onderling. Van de laatste oogst werd een handjevol gedroogde erwten, bonen enz. bewaard als zaaigoed.

Er werd meestal tussen de middag warm gegeten, maar ook wel om vijf uur ’s middags.

Door ervaring leerde de huisvrouw hoe ze voldoende voorraad kon aanleggen om de winter door te komen. Met de Kerst werden de ingemaakte snijbonen aangesproken. Hiervan werd dan, aangevuld met gedroogde bruine of witte bonen, spek, worst en aardappelen een stevige stampot gekookt Het was geen bezwaar om tijdens de periode van ‘dikke bonen’ enkele dagen achtereen dezelfde maaltijd op te dien. De ene dag bonen met (val)appeltjes, de volgende dag appeltjes met bonen. Op deze manier kwam men de winter door. Rond de Pasen stond de spinazie weer op het land.

 

Niets over de balk gooien

Had je als boer geluk dat je een gezonde, ijverige vrouw trouwde dan werd er, door te werken van van zonsopgang en –ondergang weinig echt honger geleden.

De werkdagen waren, ook bij andere beroepen, lang. Maar het tempo was meestal gematiger dan tegenwoordig. Een Veluwse boer met het motto “alles wa je noe over de balk gooi, kom je laoter weer tekort”, kon z’n hoofd economisch gezien het beste boven water houden. De boerin kocht zo min mogelijk winkelprodukten.

Men was gewend zuinig te zijn en te zorgen voor een reserve. Als de “meelboer” met de rekening kwam, kon deze contant betaald worden.

Voor de pachtboeren gold hetzelfde. Dit alles moest dan wel met weinig ziekte van mens en dier gepaard gaan.

 

Papklok

In het dorp Lunteren wordt om negen uur vanuit de toren de “papklok” geluid. Dit was het moment dat moeder de karnemelksepap gaar had. Als besluit van de dag nuttigde men een bord pap met een lepel zoete stroop. Vandaar de uitdrukking:

‘De boeren gaan met een “kloek in de buuk” naar bed’.

 

Barneveld, oktober 2003.

 

Johanna G.


< terug | afdrukken | tekst | Wat schafte de pot een eeuw geleden bij boer en burgemeester?